Ik was er goed in, hoor. Aardig zijn. Zo aardig dat ik er bijna een prijs voor had kunnen winnen. Ik kende ieders voorkeuren, hield rekening met stemming, timing en toon. Ik was de vrouw die altijd even checkte of iedereen zich prettig voelde. En als dat niet zo was, dan ging ik dat natuurlijk oplossen. Een collega met stress? “Ik help je wel even.” Een vriendin die wilde afspreken terwijl ik eigenlijk doodmoe was? “Tuurlijk, gezellig!” Een familielid dat iets nodig had? “Geen probleem, ik regel het wel”.
Het was mijn tweede natuur geworden: aanpassen. Glimlachen, begrip tonen, meebewegen. Als het harmonie opleverde, voelde het alsof ik het goed deed. En eerlijk is eerlijk: aardig gevonden worden geeft een heerlijk kortstondig gevoel van waardering. Alsof je even bestaansrecht hebt, omdat iemand anders tevreden is. Alleen… die waardering is vluchtig. Net als een suikerpiek na een donut. Even lekker, daarna een dip.
Want onder al dat aardige gedoe zat een vermoeid mens. Iemand die zichzelf niet meer zo goed hoorde. Die in gesprekken dacht: “maakt niet uit, laat maar”, omdat het makkelijker was dan eerlijk zeggen wat ze voelde. Iemand die steeds vaker leeg thuiskwam en dacht: waarom ben ik zó moe van dingen die eigenlijk niet zo zwaar zijn?
Ik had nooit door dat aardig zijn ook een prijs heeft. Je betaalt met stukjes energie, met grenzen die langzaam vervagen, met stille irritatie richting mensen die eigenlijk niets verkeerd doen; behalve dat ze gebruikmaken van het podium dat jij hen zelf hebt gegeven. En het wrange is: hoe aardiger je bent, hoe minder ruimte er overblijft voor je eigen waarheid.
Tot ik op een dag besefte dat mijn ‘ja’ eigenlijk een vorm van liegen was. Niet omdat ik iemand wilde bedriegen, maar omdat ik mezelf niet meer trouw was. En dat inzicht deed iets. Ik begon voorzichtig met kleine stapjes: iets niet doen, een grens aangeven, een ‘nee’ laten staan zonder er direct drie excuses achteraan te gooien.
In het begin voelde het alsof ik iets kapotmaakte. Mensen waren verbaasd. Sommigen moesten wennen. Maar er gebeurde ook iets anders: ik voelde mezelf weer. En dat was zó’n verademing. Ik merkte dat ik oprechter werd, rustiger, zelfs warmer. Want eerlijk zijn over wat ik niet wilde, maakte dat ik meer plezier kon hebben in wat ik wél deed.
De prijs van altijd aardig zijn bleek te hoog. De winst van oprecht zijn? Onbetaalbaar.
Herken jij dat? Dat je aardig zijn soms verward met jezelf wegcijferen? Ik ben benieuwd: wat zou er voor jou veranderen als je iets minder aardig — en iets eerlijker — zou zijn?
Liefs,
Sandra